Subjectieve opvattingen over een zeer goed pensioen

Tijdens een bespreking tussen een ondernemingsraad, de directie van een (goedlopende) accountantsorganisatie en hun pensioenadviseur over een voorgenomen verandering van de pensioenregeling viel de directeur boos naar mij uit.

Hij vond dat zij een zeer goed pensioen hadden en dit ook willen houden, waarop ik antwoordde, dat ik het pensioen nog zeer goed vond en dat de ondernemingsraad heeft aangegeven het niet verder te willen versoberen.

“Als ik het maar uit mijn hoofd zou laten om dit tegen het personeel te zeggen, want zij vonden het wel een goed pensioen”. De ondernemingsraad vertelde de directeur, dat "een zeer goed pensioen" niet de mening was van werknemers die zij spraken.

De pensioenadviseur van de werkgever vulde overigens nog aan, dat deze veel bedrijven kende die een mindere pensioenregeling hebben (hij vertelde niets over bedrijven die het beter voorhebben met hun werknemers).

Wat zeggen de feiten over het pensioen?

Bij iedere mening hoort een verhaal en ook de feiten.

Waarom vonden de pensioenadviseur en de directeur dit een zeer goede pensioenregeling?

Want wat is nou eigenlijk een goed pensioen en wat niet?

In de Brief aan de Tweede Kamer over het Pensioenakkoord geeft Minister Koolmees aan dat er sprake moet zijn van een adequaat pensioen gebaseerd op de huidige ambitie (zie Kamerbrief van 5 juni 2019 bladzijde 7): 80% van het gemiddeld verdiende salaris na 42 dienstjaren gebaseerd op het gemiddeld verdiende salaris.
 
 goed pensioen
 
De overheid en de meeste werkgevers gaan er ook vanuit dat salarissen behoren te worden aangepast aan inflatie. Hierop is ons stelsel ingericht.

Een pensioen dat aan deze eisen voldoet is dus een goed pensioen.

Het pensioen van het betreffende bedrijf kent een hoger dan toegestane aftrek vanwege de AOW (de franchise). Over de eerste circa € 4.500,00 inkomen bouwt een werknemer helemaal geen pensioen op. Daarnaast is de jaarlijkse pensioenopbouw 1,75% gebaseerd op het middelloon en kent de regeling geen indexaties.

De werknemer met een modaal salaris die zijn hele leven in dienst is van de onderneming en waarvan wij de voorzichtige parameters van De Nederlandse Bank hebben gebruikt voor de berekening van het pensioen komt niet uit op de 80% maar op minder dan 50% (AOW + pensioen). Zonder verdere indexatie.

Conclusie:

  • Over de eerste € 4.500,00 inkomen bouwen werknemers geheel geen pensioen op. Dit is vooral nadelig voor medewerkers met de lagere salarissen, voor de bepaling van de hoogte van het partner- en wezenpensioen en voor jongeren;
  • Eenmaal ingegane pensioenen (nabestaandenpensioenen en ouderdomspensioen) worden niet aangepast aan geldontwaarding door inflatie;
  • Ook de opgebouwde pensioenen gaan jaarlijks achter lopen vanwege omdat de inflatie niet gecorrigeerd wordt;

Minder dan 50% Ten opzichte van 80% van het inkomen is fors minder en dit is dus een matige pensioenregeling en zeker niet zeer goed.

Een goede pensioenregeling heeft als ambitie dat werknemers in de buurt kunnen komen van de beroemde 70% met een inflatiebescherming, zeker voor werknemers die hun pensioeninkomen echt nodig hebben.

Als het pensioen lager is moet de werkgever zeker niet verkondigen dat zij een zeer goede pensioenregeling hebben. Het pensioen zal werknemers enorm tegenvallen als zij stoppen met werken en zij kunnen geen stappen meer ondernemen om hun pensioeninkomen, door bij voorbeeld bij te sparen in de pensioenregeling, aan te vullen.

Goed rekenwerk maakt veel duidelijk.