Enkele blogs geleden hebben we al geschreven over het nabestaandenpensioen dat in het nieuwe pensioenstelsel alleen op risicobasis verzekerd kan worden. Kort voor de stemming in de Tweede Kamer over het wetsvoorstel Wet toekomst pensioenen (Wtp) is door de TK-leden Stoffer en Ceder een motie ingediend (en aangenomen). De motie gaat er over dat er wordt onderzocht of het toestaan van een restitutiebeding voor pensioenkapitaal bij overlijden na dienstverlating kan worden toegevoegd aan de wet. Dit idee had Pieter Omtzigt eerder ook al geopperd.

Wij zullen in deze blog uitleggen wat dit restitutiebeding inhoudt en de logica van het wel of niet toestaan hiervan in de Wtp.

Huidige pensioenstelsel

In veel bestaande pensioenregelingen bij pensioenfondsen is, veelal uit kostenoverwegingen, sinds een aantal jaren het nabestaandenpensioen verzekerd op risicobasis. Dit houdt dus in dat het overlijdensrisico gedekt is zolang de werknemer actief deelnemer is en dus ook ouderdomspensioen opbouwt. Bij dienstverlating eindigt de risicodekking en als de gewezen deelnemer daarna overlijdt ontvangen de nabestaanden dus geen partner- en wezenpensioen. Sterker nog, de waarde van het opgebouwde ouderdomspensioen valt vrij aan het pensioenfonds (‘sterftewinst’) en daarmee kunnen dan de pensioenen worden betaald van de mensen die oud worden.

Ook bij een pensioenregeling die is ondergebracht bij een premiepensioeninstelling (PPI) of verzekeraar gebeurt iets vergelijkbaars. Dit is inherent aan een verzekering van nabestaandenpensioen op risicobasis.

In het geval dat een gewezen deelnemer, zonder nieuwe baan en dus ook geen nieuwe dekking van nabestaandenpensioen, overlijdt ontstaat dus een ongewenste situatie: zijn partner en kinderen krijgen niets. Dit kan worden opgevangen door in het pensioenreglement op te nemen dat bij dienstverlating standaard een uitruil plaats vindt van een deel van het opgebouwde ouderdomspensioen voor een opgebouwd nabestaandenpensioen. En er zijn ook al diverse pensioenfondsen, PPI’s en verzekeraars die dit als ‘default’ hebben opgenomen in de regeling.

Restitutiebeding op het persoonlijk pensioenvermogen

restitutiebedingLetterlijk betekent het ‘restitutiebeding’ dat er restitutie (= terugbetaling) plaatsvindt aan begunstigden hiervoor op de verzekeringspolis, in dit geval dus aan de nabestaanden.

Normaal gesproken gaat het dan om terugbetaling van de betaalde premies, maar het lijkt er op dat indieners van de motie bedoelen dat het gehele opgebouwde persoonlijk pensioenvermogen (dus betaalde premies plus behaalde rendementen) wordt uitgekeerd aan de ‘pensioenwettelijke’ nabestaanden, dus de (ex-)partner en kinderen. De uitkering vindt niet rechtstreeks plaats aan hen, maar wordt aan hen beschikbaar gesteld: ze moeten er namelijk direct een partner- en eventueel wezenpensioen van aankopen bij het pensioenfonds of PPI (alleen variabele uitkeringen) of bij de verzekeraar (variabele of vaste uitkering).

Restitutiebeding of ‘gratis’ extra rendement?

Het restitutiebeding kan beschouwd worden als een extra verzekering waar dus een risicopremie voor betaald moet worden, die onttrokken wordt aan de pensioenpremie en dus resulteert in een lager persoonlijk pensioenvermogen (PPV). Afhankelijk van de leeftijd (hoe jonger de deelnemer is hoe groter de kans is dat hij in de nog resterende jaren tot aan de pensioendatum zal overlijden) kan dit oplopen tot een ca. 5% lager PPV.

Zoals hierboven al beschreven kent het huidige pensioenstelsel geen restitutiebeding van het pensioenkapitaal en dit resulteert daardoor in een wat sommigen noemen ‘gratis’ extra bijschrijving op het pensioenkapitaal. Maar voor niets gaat de zon op; de ‘prijs’ voor deze gratis bijschrijving (dus géén verzekering van het restitutiebeding) is dat bij overlijden het pensioenkapitaal aan de pensioenuitvoerder wordt uitgekeerd en niet aan de nabestaanden. Maar deze uitkering staat dan meestal niet in verhouding tot de hoogte van het partnerpensioen dat hiervan kan worden aangekocht; bij jonge dienstverlaters met een laag opgebouwd PPV kan maar weinig partnerpensioen worden aangekocht, terwijl bij een oude dienstverlater met een hoog opgebouwd PPV de situatie zich zou kunnen voordoen dat een fiscaal bovenmatig partnerpensioen kan worden aangekocht, waardoor een deel van het PPV alsnog vervalt aan de pensioenuitvoerder. En alleenstaande deelnemers hebben sowieso niets aan het restitutiebeding omdat zij geen ‘pensioenwettelijke’ nabestaanden hebben en dus ca. 5% pensioen missen.

Voorbeelden aan te kopen partnerpensioen

In onderstaande tabel is voor enkele situaties weergegeven hoeveel jaarlijks partnerpensioen (PP) kan worden aangekocht uit het opgebouwde PPV als het overlijden één jaar na dienstverlating plaats vindt en gekozen is voor het restitutiebeding. Tijdens het dienstverband bedraagt het verzekerd PP 40% van het salaris en de spaarpremie 25% van de pensioengrondslag. Het salaris bij aanvang (25 jaar) bedroeg € 25.000.

Opbouw PPV Van 25 tot 35 jaar Van 25 tot 45 jaar Van 25 tot 55 jaar
Salaris bij dienstverlating € 40.000 € 60.000 € 80.000
Verzekerd PP vlak voor dienstverlating € 16.000 € 24.000 € 32.000
Opgebouwd PPV bij dienstverlating + 1 jaar € 50.000 € 185.000 € 475.000
Aan te kopen PP uit PPV met restitutie 1 jaar na dienstverlating € 1.500 pj. € 6.000 pj. € 16.000 pj.
  1. De uitkomsten zijn zuiver informatief en er kunnen dus geen rechten aan worden ontleend.

Restitutiebeding: wel of niet opnemen?

Het opnemen van een standaard restitutiebeding voor iedereen in het nieuwe pensioenstelsel kan een oplossing zijn om te voorkomen dat de partner en kinderen van een gewezen deelnemer, die geen nieuwe baan heeft en dus ook niet gedekt is voor het overlijdensrisico, zonder nabestaandenpensioen achterblijven als deze gewezen deelnemer overlijdt voor de pensioendatum. In plaats van het restitutiebeding voor alle deelnemers in te voeren, wat dus zal leiden tot een ca. 5% lager PPV voor iedereen, kan de keuze voor omzetting van het ‘gewone’ PPV in een PPV met restitutiebeding ook gemaakt worden op het moment dat de deelnemer uit dienst treedt. Maar in dat geval zal de prijs van het restitutiebeding nog hoger zijn: het PPV kan hierdoor dalen met wel 10%! Het is dus belangrijk hierover duidelijk te communiceren. Immers een 10% lager PPV betekent ook dat als de gewezen deelnemer wel in leven blijft tot de pensioendatum, het aan te kopen ouderdomspensioen ook ca. 10% lager zal zijn, levenslang. En een eenmaal gemaakte keuze voor het restitutiebeding kan niet één dag voor het bereiken van de pensioendatum weer worden teruggedraaid: eenmaal gekozen blijft gekozen.

Wellicht is het jaarlijks vrijwillig verzekeren van het overlijdensrisico via het onttrekken van een risicopremie aan het PPV na uitdiensttreding een goedkopere oplossing, zeker als je als gewezen deelnemer verwacht binnen afzienbare tijd toch wel weer een nieuwe baan te hebben met daarbij opbouw van nieuw PPV en dekking van het nabestaandenpensioen (niet afhankelijk van diensttijd) via die nieuwe werkgever.

En natuurlijk is het ook mogelijk privé een gewone overlijdensrisicoverzekering (ORV) te sluiten; de lage premie hiervoor is dan wel niet fiscaal aftrekbaar, maar de hoge eenmalige uitkering is vrij van inkomstenbelasting en de nabestaanden kunnen zelf bepalen wat ze met de uitkering doen. En door de ORV ‘kruislings’ af te sluiten kan ook bespaard worden op erfbelasting; een goede verzekeringsadviseur kan hier meer over vertellen.

Conclusie

Het huidige pensioenstelsel kent bij pensioenfondsen geen restitutiebeding, bij verzekeraars en PPI’s soms wel, en daar is eigenlijk nooit iemand over gevallen. Maar in het nieuwe pensioenstelsel praten we niet meer over pensioenaanspraken maar over persoonlijke pensioenvermogens, PPV’s; de deelnemer beseft nu wat de waarde is van die oude aanspraken en ziet dit als een soort van eigen spaarrekening. En nu realiseert men zich opeens dat deze spaarrekening bij overlijden voor de pensioendatum wordt uitgekeerd aan de pensioenuitvoerder (en dus beschikbaar komt aan de oud-collega’s of de aandeelhouders) en niet zijn nabestaanden zoals bij een echte spaarrekening. Dit voelt misschien niet eerlijk, maar het is wel het principe van collectief verzekeren.

Het opnemen van een restitutiebeding bij dienstverlating kan dit ‘oneerlijke gevoel’ wegnemen maar daar moet dan wel voor worden betaald: ca. 5% van het opgebouwd PPV. En dit ben je dus ook kwijt als je toch springlevend de pensioendatum bereikt.

Wij zien het opnemen van het restitutiebeding als een positieve uitbreiding van de Wtp, maar nog belangrijker vinden wij de goede communicatie en advisering hierover aan de individuele deelnemer.

Gerard van der Toolen en Léon Zijlmans AAG