Naar verwachting gaat de Wet Toekomst Pensioenen op 1 januari 2023 in.

Alle pensioenregelingen worden premieregelingen, waarbij de premie een voor alle werknemers gelijk percentage wordt, de zogenoemde ‘vlakke premie’. Hoe hoog moet die premie echter zijn om tot een koopkrachtbestendig pensioen te komen?

Wat betekent dit?

Maandelijks wordt de afgesproken premie aan de pensioenuitvoerder betaald en die gaat de premie beleggen zoals de werknemer dat wil, veelal in life-cycle-beleggingsfondsen. Hoe hoog het uiteindelijke pensioen wordt is dus niet vooraf bekend, dit is afhankelijk van de ingelegde premies en de opbrengst van de beleggingen en niet te vergeten het tarief dat de uitvoerder gebruikt om het jaarlijks pensioen aan te kopen.

In geval van een pensioenfonds zal de werknemer weinig invloed hebben op de beleggingswijze van zijn premies omdat dit dan collectief wordt bepaald. Maar ook dan geldt dat het uiteindelijke pensioen afhankelijk is van de ingelegde premies, het collectieve beleggingsrendement en de verdeling van dit rendement, en het aankooptarief voor pensioen.

 
koopkrachtbestendig pensioen
 
Indien de pensioenuitvoerder een verzekeraar is, kan de werknemer trouwens ook verzoeken om van de maandelijkse premie een stukje uitgesteld, gegarandeerd pensioen aan te kopen; dit heet dan een premie-uitkeringsovereenkomst.

 

Hoe bepaal je de juiste premiehoogte?

Maar hoe hoog moet de premie worden om een goed pensioen te bereiken? Pensioen is bedoeld om na pensionering een uitkering te krijgen die dusdanig hoog is dat de werknemer in ongeveer gelijke economische omstandigheden kan doorleven als tijdens het arbeidzame leven.

Een koopkrachtbestendig (gelijke trend houdend met de inflatie) pensioen van 75% van het gemiddeld verdiende inkomen na 40 dienstjaren is hierbij een algemeen geaccepteerd uitgangspunt, hoewel het logischer is je uiteindelijke pensioeninkomen te vergelijken met je laatst verdiende salaris, immers daar zijn je uitgaven ook op gebaseerd. De fiscale premiegrens in het Pensioenakkoord gaat ook uit van een maximale pensioenambitie van 75% middelloon in 40 opbouwjaren.

Koopkrachtbestendig betekent dat in zowel de opbouwperiode als tijdens de uitkeringsfase de inflatie kan worden bijgehouden.

Redelijk rendement

Maar hoeveel rendement mag je redelijkerwijze verwachten?

Je hebt rendement nodig om een goed pensioen te kunnen verwerven, omdat je in ieder geval niet goed gaat uitkomen als je geen of een bescheiden rendement zou halen. Risicoloos beleggen is dus geen optie. Pensioen gaat over een zeer lange periode (meer dan 60 jaar) en resultaten uit het verleden en realistische verwachtingen naar de toekomst leren ons dat beleggen op zo’n lange termijn niet zo risicovol is.

 

Pensioen kenmerkt zich door het onderscheid van twee periodes, namelijk 1) de periode voordat je met pensioen gaat en je jouw pensioenkapitaal gaat opbouwen (de opbouwfase) en 2) de periode dat jouw pensioen ingaat en jouw pensioenkapitaal in delen wordt uitgekeerd (de uitkeringsfase).

 

Als we kijken naar langjarige gemiddelden gaan De Nederlandsche Bank (DNB) en het Pensioenakkoord uit van 5,6% netto rendement op aandelen (de daadwerkelijke beleggingskosten kunnen tot wel 0,5% hoger zijn), 1,5% op vastrentende waarden en ca 2% inflatie.

 

Als de werkgever vrij is in het kiezen van de pensioenuitvoerder (dus geen CAO met verplichte pensioenregeling bij een bedrijfstakpensioenfonds) zal of collectief voor alle deelnemers belegd worden (pensioenfonds) of via de individuele life cycles (verzekeraar of PPI). Er mag van worden uitgegaan dat jongeren een aanzienlijk hoger rendement zullen behalen dan werknemers die vlak voor hun pensioendatum zitten.

 

De berekeningen

Wij hebben berekeningen gemaakt waarbij een werknemer zijn gehele werkzame leven bij hetzelfde bedrijf blijft en dezelfde premie blijft ontvangen. De werknemer start met werken op leeftijd 21 jaar (de minimum toetredingsleeftijd voor een pensioenregeling en voor naar schatting 85% van alle deelnemers is dit ook de werkelijke startleeftijd), het salaris (bij aanvang € 25.000 = 10% boven minimumloon) stijgt jaarlijks met de aangenomen inflatie (2%, ook gebruikt voor de ontwikkeling van de aow-franchise) en de medewerker maakt de carrièrestijgingen die ook zijn voorgeschreven in de modellen van de Belastingdienst (tot leeftijd 35 3%, daarna 10 jaar lang 2%, vervolgens nog 10 jaar 1% en vanaf leeftijd 55 geen). Het pensioenfonds belegt 50% in aandelen en 50% in vastrentende waarden of de werknemer laat zijn pensioen beleggen via een neutrale life cycle.

 

De uitkomsten

In het huidige pensioenstelsel met vooral middelloonregelingen, is het makkelijk uit te rekenen hoeveel een werknemer aan pensioen zal ontvangen vanaf zijn 68ste. Bij een fiscaal maximale pensioenopbouw van 1,875% per jaar en een jaarlijkse verhoging van zijn opgebouwde pensioen met 2% (indexatie), zal onze voorbeeld-werknemer uiteindelijk een totaal pensioeninkomen (aow + pensioen) hebben van ongeveer 71% van zijn laatst verdiende salaris. Met daarnaast nog een volwaardig partnerpensioen van 70% van het ouderdomspensioen.

Als we deze uitkomst nu als uitgangspunt nemen voor het vaststellen van een vlakke premie en daarbij rekening houden met de eerder genoemde aannames voor de beleggingen en een contante waarde factor voor aankoop van ouderdomspensioen én 70% partnerpensioen van 21 (dit komt overeen met 1,5% rente op de pensioendatum), dan dient de vlakke premie 28,5% van de jaarlijkse pensioengrondslag te zijn.                                                                                                                                                                           ,

Eerste conclusie

Op basis van de aannames in de toelichting bij het Pensioenakkoord lijkt op het eerste gezicht het uitgangspunt van een fiscaal maximale vlakke premie van 30% van de pensioengrondslag voldoende om tot een vergelijkbaar pensioen te komen in een fiscaal maximale middelloonregeling.

 

Maar, zoals al eerder beschreven, mogen we aannemen dat jongeren een hogere risicobereidheid hebben dan ouderen en de jongeren dus risicovoller kunnen beleggen en daardoor, in ieder geval in de eerste jaren, meer beleggingsrendement kunnen maken dan een oudere werknemer. De aanname van 50/50-verdeling tussen zakelijke en vastrentende waarden tijdens de volledige opbouwfase, zal dus in de praktijk zeer waarschijnlijk niet voorkomen.

 

40.000 scenario’s doorgerekend

Voor wat betreft de verdeling tussen zakelijke en vastrentende waarden hebben wij een willekeurig neutraal life-cycle-fonds (met doorbeleggen, anders kun je immers geen koopkrachtbestendig pensioen na ingang kopen) gebruikt waarbij tot leeftijd 55 voor 80% wordt belegd in zakelijke waarden, waarna dit percentage afneemt tot uiteindelijk 37,5% op leeftijd 67.

Voor het netto rendement op de zakelijke waarden in het betreffende life-cycle-fonds zijn wij uitgegaan van de laatste vier scenariosets van DNB, in totaal dus 40.000 scenario’s (!) met rendementen op zakelijke waarden voor de komende 60 jaren (!).

Het netto rendement op vastrentende waarden hebben we ongewijzigd gelaten op 1,5% (ook dit is discutabel). En de vlakke premie is op 28,5% van de jaarlijkse pensioengrondslag gesteld.

 

De uitkomsten (aow + ouderdomspensioen) van onze berekeningen zijn, in procenten van het laatst verdiende salaris, hieronder genoemd:

  • In het ‘slecht weer’ scenario (5e percentiel): 52%
  • In het 'verwachte’ scenario (50e percentiel): 85%
  • In het ‘mooi weer’ scenario (95e percentiel): 185%.

Ter info, een totaal pensioeninkomen van 71% wordt bereikt in het 32e percentiel wat inhoudt dat in ongeveer 1/3 van de scenario’s het totale pensioeninkomen waarschijnlijk lager is. Aan de ondernemingsraad en de werkgever om te beoordelen of deze kans te groot, te klein of voldoende is.

Eindconclusie: ‘Van achteren kijk je de koe in de kont’

Wat wel een goede aanname met betrekking tot beleggingsrendementen en verdeling tussen zakelijke en vastrentende waarden was, is vooraf gewoon niet te zeggen. Pas als we met pensioen gaan kunnen we concluderen dat we een goede of juist een verkeerde beslissing hebben genomen met de keuze voor de hoogte van de premie en de keuze van de beleggingsmix. En misschien hebben de vermogensbeheerders toch wat minder rendement gemaakt op de beleggingen van de werknemers dan we vooraf hadden ingeschat. Wie zal het zeggen ….

 

Slotopmerking

Wij zijn uitgegaan van doorbeleggen na pensioeningang, zodat op de pensioendatum een zogenoemd variabel pensioen kan worden aangekocht. Om dit pensioen na ingang ook echt koopkrachtig te houden moet er voldoende rendement gemaakt worden op het individuele pensioenvermogen. Of dit ook echt kan worden gerealiseerd zullen we in een volgend blog behandelen.

 

Leon Zijlmans AAG en Gerard van der Toolen